Paddenstoelen

Woordenboek

D


Naar begin woordenboek

Naar begin

Naar boven


D.

 

Dacrymycetaceae

klasse: Basidiomycetes,

groep: Hymenomyceten,

groep: Heterobasidiomyceten,

orde: Dacrymycetales;

familie van zwammen die o.a. de soorten Dacrymyces stillatus (Oranje druppelzwam) en Calocera viscosa (Kleverig koraalzwammetje) bevat. Zie ook zwammenrijk.

Dacrymycetales

klasse: Basidiomycetes,

groep: Hymenomyceten,

groep: Heterobasidiomyceten;

orde van saprofyten op hout. Vruchtlichamen kussen‑, beker‑ of knotsvormig of clavarioïd, meestal gelatineus. Zie ook zwammenrijk

daedaloïd

gelijkend op het hymenofoor van de soort Daedalea, d.w.z. bij de Gaatjeszwammen met langgerekte en labyrintische gaatjes.

deelweefsel

weefsel van een plant, waarvan de cellen in staat zijn zich te delen. Zie ook celdeling.

dekglaasje

dun glazen plaatje, waarmee een op het voorwerpglaasje aangebracht preparaat wordt afgedekt.

dendrofysen

cellen (meestal cheilocystiden of hoedhuidcellen) met een sterke geweiachtige vertakking.

dendrofysoïd

gelijkend op dendrofysen.

dendrohyfidia

zie hyfidia.

Dermateaceae

zie zwammenrijk (orde Helotiales).

dermatocystide

cystide op de hoedhuid. Zie ook cystiden.

= pileocystide.

destructie

zie rot.

det.

afkorting van determinavit; zie daar.  

determinatie

bepaling van een plantennaam; zie determineren.

determinavit

gedetermineerd (door.....). Zie ook herbarium.

determineren

uit de kenmerken van een plant opmaken welke plant het is (vaststellen van de naam). Hiervoor zijn zowel microscopische als macroscopische kenmerken van belang. Bij de zwammen hebben de microscopische kenmerken betrekking op b.v. de vorm, kleur en afmetingen van de sporen, parafysen en cystiden. Macroscopische kenmerken betreffen b.v. de vorm, kleur, geur, smaak en afmetingen van het vruchtlichaam. Ter vaststelling van een aantal kenmerken zijn de volgende proeven van belang:

  • De reukproef voor het vaststellen van de geur van de zwam, b.v. meel-, radijs-, knoflook-, anijsgeur.
  • De smaakproef voor het vaststellen van de smaak van de zwam, zoals mild, scherp, bitter, zuur, peperachtig. Voor het uitvoeren van deze proef wordt een klein stukje vlees uit de hoed van de verse zwam tussen de tanden fijn gekauwd, met de tong betast en weer uitgespuwd (dus niet inslikken).
  • De snedeproef. De zwam wordt met een mes doorgesneden. Deze proef is bedoeld voor het vaststellen van b.v. verkleuringen van het vlees, zoals de blauwverkleuring bij sommige boleten.
  • De breukproef. Delen van de zwam worden gebroken, b.v. om vast te stellen of de zwam melk bevat, of het vlees bros of taai is, of de hoed gemakkelijk van de steel te scheiden is.
  • De tastproef, waarbij vastgesteld wordt of b.v. het hoedoppervlak fluwelig, harig, vettig, kleverig of glad is.
  • De drukproef, waarbij druk wordt uitgeoefend op delen van de zwam b.v. om vast te stellen of het vlees hard, of week, gezond of sterk aangevreten is, of op de drukplaatsen kleurverandering plaats vindt.
  • De wrijfproef. Door (soms min of meer langdurig) te wrijven op delen van de zwam kunnen eventueel kleurveranderingen worden vastgesteld.

Deuteromyceten

zie Deuteromycetes.

Deuteromycetes

klasse van het zwammenrijk, die de zwammen met asexuele sporevormen (conidiën) omvat, hoofdzakelijk van Ascomycetes, maar ook van Basidiomycetes, waarvan de samenhang met de perfecte vorm (sexuele voortplanting) niet bekend is.

= fungi imperfecti.

dextrinoïd

van wanden van sporen en hyfen, die in Melzer's reagens of lugol‑oplossing geelbruin tot bruinrood verkleuren.

= pseudoamyloïd.

diafragma

perkamentachtig vlies, bestaande uit geheel afwijkend gevormde cellen, dat gleba en subgleba van elkaar scheidt (bij het geslacht Vascellum, Gasteromyceten).

diagnose

beknopte beschrijving (zie daar) van een zwam, die de wezenlijke kenmerken bevat. Zie ook nomenclatuur.

diameter

middellijn van een cirkel.

Diaporthaceae

zie zwammenrijk (orde Sphaeriales).

diasporen

voortplantingscellen, b.v. sporen en conidiën.

Diatrypaceae

zie zwammenrijk (orde Sphaeriales).

dichohyfidia

zie hyfidia.

dichotoom

zie vertakking.

dicotylen

tweezaadlobbige planten.

dictyospoor

zie sporenvormen.

didymospoor

zie sporenvormen.

differentiatie

het toenemen in gecompliceerdheid en organisatie.

diffuus

verspreid, indirekt.

dikaryofase

ontwikkelingsfase van het mycelium, waarin de cellen twee kernen bevatten en die voorafgaat aan de kernversmelting.

dikaryotisch

van cellen die twee kernen bevatten. Zie ook voortplanting.

Dikhoeden

zie zwammenrijk (orde Agaricales).

dimidiaat

sterk afgeplat, b.v. van vruchtlichamen.

dimitisch

van het weefsel, dat bestaat uit twee soorten hyfen, generatieve hyfen en skelethyfen of verbindingshyfen. Als de tweede soort hyfen verbindingshyfen zijn (wat minder vaak voorkomt) wordt het weefsel ook wel amfimitisch genoemd. Meestal harde zwammen. Zie ook hyfensystemen.

diploïd

van cellen, waarin alle chromosomen in tweevoud voorkomen (2n chromosomen). Eén stel is afkomstig van de ene ouder, het tweede stel van de andere ouder.

Discomyceten

klasse: Ascomycetes;

kunstmatige groep van zwammen, waarbij de asci min of meer regelmatig in een hymenium zijn gerangschikt en worden gevormd op een open, al of niet gesteeld, meestal schotel‑, kom‑, schijf‑, vingerhoed‑, zadelvormig vruchtlichaam (apothecium). De asci zijn unitunicaat. Tot deze groep behoren de orden Pezizales (operculate asci), Tuberales, Phacidiales, Ostropales en Helotiales (alle met inoperculate asci). Zie ook zwammenrijk.

= Schijfzwammen.

discus

schijfvormige, steriele afsluiting aan de top van de hoed bij het geslacht Phallus.

divergent

zie lamellentrama.

diverticulaat

vertakt.

doliformis

tonvormig. Zie ook sporevormen.

doliporus

centrale porus in de sept van een hyfe.

dominant

overheersend.

domineren

overheersen.

Donsvoetjes

zie zwammenrijk (orde Agaricales).

Dooiergele mestzwam

zie zwammenrijk (orde Agaricales).

Doolhoftruffels

zie zwammenrijk (orde Tuberales).

doorschijnend gegroefd

van het hoedoppervlak, waarop de lamellen (meest in vochtige toestand) doorschijnen en donker gekleurde radiale strepen veroorzaken.

dormantie

rusttoestand van een spore met een zeer lange levensduur. Deze toestand wordt opgeheven als de soort opnieuw een nieuw en geschikt substraat ter beschikking heeft en de weersomstandigheden geschikt zijn.

dorsaal

heet de zijde van de spore, die naar de lengteas door het basidium is toegekeerd. Zie ook spore.

= adaxiaal.

Dothideaceae

zie zwammenrijk (orde Dothideales).

Dothideales

klasse: Ascomycetes,

groep: Loculoascomyceten;

orde van zwammen, bestaande uit bitunicate stromatische ascomyceten met zeer verschillend gevormde asci en vruchtlichamen; de vruchtlichamen ontwikkelen zich uit stromatisch weefsel (ascostroma), met één of meer holten (loculi), die de asci bevatten (pseudothecium). Zie ook zwammenrijk

duivelsei

zie heksenei.

duplextrama

trama bestaande uit twee lagen.

 

 



Naar begin
© MYCOFUN, 2007