Paddenstoelen

Woordenboek

E

Naar begin woordenboek

Naar begin

Naar boven


E.

 

Ecchynaceae

zie zwammenrijk (orde Auriculariales).

echinocysten

kleine, bolvormige of ellipsoïdische cellen aan hyfen, die aan het oppervlak met stekels bezet zijn.

echinulosus

stekelig; met talrijke kleine spitse wratten. Zie ook ornamentatie.

Echte meeldauwschimmels

zie Plectomyceten en Erysiphales. Zie ook zwammenrijk.

Echte truffels

zie zwammenrijk (orde Tuberales).

ecologie

leer van de betrekkingen tussen het organisme en zijn milieu. De levende wezens en hun omgeving beïnvloeden elkaar wederkerig en deze wisselwerking is in hoge mate bepalend voor de eigenschappen van alle betrokkenen.

ecto

voorvoegsel in wetenschappelijke termen met de betekenis: uitwendig, buiten.

ectomycorrhiza

een mycorrhiza, waarvan de hyfen aan de oppervlakte van de wortels blijven. Zie ook mycorrhiza.

ectoparasieten

parasieten die leven op het uitwendige oppervlak of in van buiten gemakkelijk toegankelijke holten van hun gastheer.

ectotroof

van een mycorrhiza, waarvan de hyfen aan de oppervlakte van de wortels blijven. Zie ook mycorrhiza.

effuso‑reflex

half resupinaat.  Van vruchtlichamen, die vlak aan het substraat zijn vastgegroeid, maar aan de rand ten dele teruggebogen hoedjes hebben.

effuus

uitvloeiend.

eicellen

vrouwelijke geslachtscellen. Zie ook gameten en voortplanting.

eivormig

van hoedvorm; zie hoedvormen.

Elaphomycetaceae

zie zwammenrijk (orde Tuberales).

Elasmomycetaceae

zie zwammenrijk (orde Russulales).

electronenmicroscoop

instrument, waarmee men zeer kleine structuren sterk vergroot kan waarnemen. Men kan vergrotingen bereiken tot 100000 x bij een oplossend vermogen van 0,00001 mm.

Elfenbankjes

zie zwammenrijk (orde Aphyllophorales).

ellipticofusiformis

spoelvormig‑elliptisch. Zie ook sporevormen.

ellipticus

elliptisch, langwerpig rond. Zie ook sporevormen.

ellipsoïdisch

als een ellipsoïde, een ruimtelijke, langwerpig ronde figuur.

em.

afkorting van emendavit, zie daar. Zie ook nomenclatuur.

emend.

afkorting van emendavit, zie daar. Zie ook nomenclatuur.

emendavit

heeft verbeterd. Wordt gebruikt bij de citering van auteursnamen in die gevallen, waarbij de oorspronkelijke omgrenzing van b.v. een geslacht door een latere auteur vergroot of verkleind, in ieder geval gewijzigd wordt. Zie ook nomenclatuur.

endo

voorvoegsel in wetenschappelijke termen met de betekenis: inwendig, binnen.

endoascus

binnenlaag van een uit twee lagen bestaande ascuswand. Zie ook bitunicaat.

endogeen

van binnen uit veroorzaakt, d.w.z. ontstaan door, te verklaren uit processen binnen een bepaald systeem (b.v. organisme).

endomycorrhiza

een mycorrhiza, waarvan de hyfen als kluwentjes in het weefsel van de wortels binnendringen. Zie ook mycorrhiza.

endoparasieten

parasieten die leven in het inwendige van hun gastheer.

endoperidium

de binnenste laag van het peridium. Zie ook peridium.

endosporium

de allerbinnenste laag van een sporeomhulling.

endotroof

van een mycorrhiza, waarvan de hyfen als kluwentjes in het  weefsel van de wortels binnendringen. Zie ook mycorrhiza.

Englerulaceae

zie zwammenrijk (orde Dothideales).

enterarthrisch

van ontstaanswijze van conidiën; zie daar.

Entolomataceae

zie zwammenrijk (orde Agaricales).

enzymen

chemische stoffen, die in bepaalde cellen ontstaan en die optreden als katalysatoren of versnellers van de chemische reacties, die zich in levende organismen afspelen. Zo spelen in de hyfen gevormde enzymen een belangrijke rol bij de afbraak van de voedingsstoffen (b.v. de houtstoffen cellulose en lignine). Sommige enzymen kunnen voor industrieel gebruik worden vervaardigd m.b.v. bepaalde zwammen b.v. voor de kaasbereiding.

= fermenten. 

epibasidium

spoel- tot wormvormig deel tussen het hypobasidium en de sporen met vaak onduidelijke sterigmen.

epicutis

de bovenste laag van de hoedhuid als deze meerlagig is.

epidermis

opperhuid.

epidermoidea

zie textura.

epifyt

niet‑parasiterende plant, die op andere planten leeft.

= gastplant.

epifragma

membraan bij de orde Nidulariales, dat de opening van het jonge peridium aan de bovenzijde afsluit.

epigeïsch

van vruchtlichamen, die bovengronds (op het bodemoppervlak) groeien.

episporium

een zich buiten het endosporium bevindende, beschermende laag.

epithecium

een bovenop het hymenium gevormde laag, die ontstaat doordat de parafysen, die langer zijn dan de asci, zich in de top verenigen.

epithelium

hoedhuid, bestaande uit een opeenhoping van ronde of breed elliptische cellen (vaak in ketens). Zie ook hoedhuid.

equatoriaalvlak

zie kerndeling.

ergotisme

vergiftiging, die het gevolg is van het consumeren van Moederkoren (Claviceps purpurea) en die kan leiden tot de dood.

Erysiphaceae

zie zwammenrijk (orde Erysiphales).

Erysiphales

klasse: Ascomycetes,

groep: Plectomyceten;

orde van zwammen, bestaande uit obligate oppervlakkig groeiende parasieten, met hyalien mycelium en ééncellige ascosporen. Ook conidiënvormen. Zie ook zwammenrijk.

= Echte meeldauwschimmels.

ethanol

zie chemicaliën.

ether

zie chemicaliën.

ethylalcohol

zie chemicaliën.

Eumycota

het zwammenrijk; zie daar.

Eurotiales

klasse: Ascomycetes;

groep: Plectomyceten;

orde van zwammen met kleine, meestal bolronde vruchtlichamen, zonder mondopening, zittend op het mycelium. De hyfen vertakken zich onregelmatig door de hele holte en vormen onregelmatig verspreide asci in enkelvoud of in ketens. De conidiënvormen (Penicillium, Aspergillus) zijn vaak dominerend. Zie ook zwammenrijk.

ex

van, gebruikt bij het citeren van auteurs. Zie nomenclatuur.

excentrisch

buiten het middelpunt liggend, b.v. van de steel die tussen het midden en de rand vastzit aan de hoed.

excipulum

de schorslaag van het receptaculum, d.w.z. de tegenover het hymenium liggende buitenste weefsellaag.

excretie

uitscheiding van stofwisselingsproducten.

exo

voorvoegsel in wetenschappelijke termen met de betekenis: uitwendig, buiten.

exoascus

buitenwand van een uit twee lagen bestaande ascuswand. Zie ook bitunicaat.

Exobasidiaceae

klasse: Basidiomycetes,

groep: Hymenomyceten,

groep: Heterobasidiomyceten,

orde: Exobasidiales;

familie van zwammen. Zie ook zwammenrijk.

Exobasidiales

klasse: Basidiomycetes,

groep: Hymenomyceten.

groep: Heterobasidiomyceten;

orde van plantenparasieten, die witte overtreksels, verkleuring, heksenbezems, of gallen veroorzaken bij b.v. heideachtigen, thee, kamperfoelie. Zie ook zwammenrijk.

exogeen

van buitenaf veroorzaakt, d.w.z. ontstaan door, te verklaren uit processen die van buiten af op een bepaald systeem (b.v. een organisme) inwerken.

exoperidium

buitenste, vaak afvallende laag van het peridium. Zie ook peridium.

exosporium

een zich buiten het episporium bevindend membraan.

exsiccaat

een gedroogd en beschreven wetenschappelijk bewijsstuk in een herbarium, dat voor onderzoek en kontrole beschikbaar is.

 

 



Naar begin
© MYCOFUN, 2007