|
H2O water. Zie chemicaliën. H2SO4 zwavelzuur. Zie chemicaliën. hab. afkorting van habitat. Zie ook herbarium. habitat groeiplaats, standplaats. Zie ook herbarium. habitus uiterlijk (vorm, kleuren) van zwammen; het totaal van de macroscopisch herkenbare kenmerken. half (bol)rond van hoedvorm, zie hoedvormen. hallucinatie zinsbegoocheling (letterlijk: het rondzwerven met de geest), die optreedt bij het eten van sommige soorten zwammen, b.v. de Vliegenzwam (Amanita muscaria). hallucinogeen van stof, die hallucinaties veroorzaakt. halocystide cystide, die bovenaan een olie‑, harsachtige massa vertonen tussen de buiten‑ en binnenwand (dus niet in het plasma); karakteristiek voor b.v. het geslacht Resinicium. Halosphaeriaceae zie zwammenrijk (orde Sphaeriales). hangend van de ring, die naar boven aftrekbaar is. haploïd van de geslachtscellen (gameten), waarin de chromosomen in enkelvoud aanwezig zijn (n chromosomen). Harpoenzwammen zie zwammenrijk (orde Agaricales). haustoriën bij parasitische planten de zuigorganen waarmee water en voedsel aan de waardplant onttrokken wordt. Bij parasitaire zwammen fungeren de hyfen zelf als haustoriën. (ev. haustorium). HCL zoutzuur. Zie chemicaliën. woekering in een plant (boom, struik), bestaande uit korte dicht op elkaar groeiende takjes, soms lijkend op een vogelnest en veroorzaakt door een schimmel. = heksennest. jong stadium van het vruchtlichaam bij de orde Phallales. Het is gesloten, bevindt zich in de bodem, is eivormig, wit, met wortelende witte myceliumstrengen (rhizomorfen) en bezit een geleiachtige wand. Bij b.v. de Grote stinkzwam (Phallus impudicus) breekt de witte steel door een sterke strekking door de wand heen en stelt het grijsgroenige gleba bloot aan de lucht. Het opengebroken ei vormt onderaan de steel een volva. = duivelsei. een groep van zwammen, die in een min of meer grote kring groeien en die aanleiding heeft gegeven tot veel legendevorming. Aan de oorsprong van een heksenkring ligt de kieming van één enkele spore, van waaruit het mycelium in de bodem in alle richtingen ongeveer even snel uitgroeit. Alleen het voorste groeiende gedeelte is levend en actief, de rest sterft af. Uit dit gedeelte zullen de vruchtlichamen ontstaan en wel op ongeveer gelijke afstand van de oorspronkelijke spore, aldus een kring vormend. Het jaar daarop zullen de zwammen vervolgens, doordat het mycelium verder is uitgegroeid, een grotere kring vormen. Heksenkringen worden vaak verstoord door de bodemstructuur; meerdere kringen kunnen ook ineen groeien en daarbij onherkenbaar worden. Heksenkringen komen veel voor bij de Ridderzwammen, Weidekringzwam, Trechterzwammen, Weidechampignons e.a.. heksennest zie heksenbezem. helicospoor zie sporevormen. klasse: Ascomycetes, groep: Discomyceten; orde van zwammen met zeer kleine tot middelgrote vruchtlichamen, schijf‑, kom‑, knots‑ of hoedvormig, met of zonder steel, oppervlakkig of iets ingezonken in het waardplantweefsel. Asci knotsvormig tot cilindrisch, met een apicale porie die vaak in Melzer's reagens blauw kleurt, inoperculaat. Ascosporen meestal glad, hyalien tot bruin, van verschillende vorm, één‑ tot meercellig. Het zijn plantenparasieten of saprofyten, zelden op grond of mest. Ook conidiënvormen. Tot deze orde behoren ook de Aardtongen (familie Geoglossaceae). In enge zin wordt deze orde wel aangeduid met Schijfzwammen. Zie ook zwammenrijk. Helvellaceae zie zwammenrijk (orde Pezizales). helvelloïd zie Pezizales. hemiangiocarp van de ontwikkeling van een zwam, waarbij het hymenium aanvankelijk een holte bekleedt en daarna vrij komt te liggen; de meeste Agaricales vertonen deze ontwikkeling. verzameling van geconserveerde planten. Een herbarium van zwammen wordt meestal aangelegd door de zwammen te drogen en deze in plastic of papieren zakjes te bewaren. Deze gaan vergezeld van een beschrijving van de zwammen in verse toestand. Op het etiket van deze zakjes worden, gebruik makend van afkortingen van Latijnse woorden, vaak de volgende gegevens vermeldt: hab. = habitat = standplaats. matr. = matrix = waardplant, substraat. leg. = legit = verzameld (door...). det. = determinavit = gedetermineerd (door...). rev. = revidit = gecontroleerd, opnieuw gedetermineerd (door...). Zie ook beschrijving, conserveren en determineren. Hericiaceae zie zwammenrijk (orde Aphyllophorales). Hersentruffels zie zwammenrijk (orde Tuberales). Hertetruffels zie zwammenrijk (orde Tuberales). Hertezwammen zie zwammenrijk (orde Agaricales). in lengte- of dwarsrichting gesepteerde basidiën met 2 tot 4 cellen, voorkomend bij de Heterobasidiomyceten. = phragmobasidiën. klasse: Basidiomycetes; kunstmatige groep van geleiachtige zwammen omvattende de orden Auriculariales, Septobasidiales, Tremellales, Dacrymycetales, Exobasidiales en Tulasnellales. Zie ook zwammenrijk. = Phragmobasidiomyceten. heteroecisch van zwammen die hun levenscyclus voltrekken op twee waardplanten. Zie ook Uredinales. heterogeen van ongelijke gesteldheid, wisselend in samenstelling. Tegenstelling van homogeen. heteromeer van een weefselstructuur, die sferocysten (kogelcellen) bevat en daardoor broos is. Zie ook Russulales. heterothallie zie heterothallisch. van zwammen, die hun ontwikkelingscyclus pas kunnen voltrekken na versmelting van cellen van ongelijksoortige mycelia. Het verschijnsel heet heterothallie. Is er sprake van twee ongelijksoortige mycelia dan kan men spreken van mannelijk en vrouwelijk, hoewel meestal de aanduiding + en - wordt gebruikt (bipolaire heterothallie). Er zijn ook zwammen met vier typen mycelia (tetrapolaire heterothallie). Zie ook voortplanting. heterotroof zie koolzuurassimilatie. hilaire depressie indeuking boven de apiculus bij een spore. Zie ook spore. hilaire vlek vlek boven de apiculus bij een spore, die vaak amyloïd is. hilum bij een spore de plaats van de vroegere aanhechting van het sterigma. HNO3 salpeterzuur. Zie chemicaliën. bovenlaag van de hoed, die bestaat uit meer of minder radiaal verlopende hyfen; zij kan uit meerdere cellagen bestaan. De volgende typen hoedhuid worden onderscheiden:
= cutis. bij de Agaricales, Russulales en Boletales kunnen de volgende karakteristieke hoedvormen worden onderscheiden: half (bol)rond, klokvormig, eivormig, gewelfd, vlak, verdiept, trechtervormig, bultig/gebochelt. hof anders gekleurde zône rondom het peristoom bij het geslacht Geastrum. holarthrisch van ontstaanswijze van conidiën; zie daar. holobasidiën ééncellige, niet gesepteerde basiën voorkomend bij de Holobasidiomyceten. = homobasidiën. Holobasidiomyceten zie Holobasidiomycetidae. = Homobasidiomyceten. Holobasidiomycetidae klasse: Basidiomycetes; onderklasse van zwammen, waarvan de basidiën ééncellig zijn. = Holobasidiomyceten. = Homobasidiomyceten. een type (een soort, een exsiccaat), waarnaar door de auteur van een naam wordt verwezen bij de eerste publikatie van die naam. Zie ook nomenclatuur. homobasidiën zie holobasidiën. Homobasidiomyceten zie Holobasidiomycetidae. homogeen in ieder deel van gelijke gesteldheid, niet wisselend van samenstelling. Tegenstelling van heterogeen. homoïomeer van een weefselstructuur, die geen sferocysten (kogelcellen) bevat, b.v. bij de orde Agaricales. een gelijkluidende naam, die betrekking heeft op verschillende zwammen en dus op verschillende typen. homothallie zie homothallisch. homothallisch van zwammen, die hun ontwikkelingscyclus kunnen voltrekken in één mycelium, dus ontstaand uit één spore. Het verschijnsel heet homothallie. Zie ook voortplanting. Honingzwammen zie zwammenrijk (orde Agaricales). houtrot zie rot. de hoofdbestanddelen van hout zijn:
Cellulose en verwante stoffen maken ca. 75% van de houtmassa uit, lignine en verwante stoffen 25%. Naaldhout bevat meer lignine dan loofhout. hyalien glasachtig, doorschijnend, kleurloos (i.h.b. van sporen). Voorzichtigheid is geboden bij geelgroen-verkleuringen onder de microscoop, die het gevolg kunnen zijn van lichtbuigingsverschijnselen. Hyaloscyphaceae zie zwammenrijk (orde Helotiales). Hydnaceae zie zwammenrijk (orde Aphyllophorales). Hydnangiaceae zie zwammenrijk (orde Hymenogastrales). hydnoïd van een hymenofoor met min of meer lange, slanke stekels, meestal langer dan 1 mm.. hydromycologie leer van de zwammen in het water. zeer dunne (meest 2‑5 micron), meestal kleurloze draden, waaruit zowel het mycelium als de vruchtlichamen zijn opgebouwd. Een hyfe bestaat uit korte of lange cellen, die door tussenschotten zijn gescheiden. = zwamdraden. systemen van verschillende soorten hyfen waruit een weefsel (b.v. het trama) kan bestaan. Men onderscheidt de volgende systemen:
hyfeus van een weefsel dat bestaat uit langgerekte cellen (hyfen). B.v. van hoedhuid. hyfe‑achtige, onvertakte of vertakte, steriele einden, die uit het trama ontspringen. Men onderscheidt:
hyfopodia hyfen met ladderachtige of gelobde, brede zijtakken. hygrofaan er waterig en doorschijnend uitziend (en inderdaad ook waterhoudend). Bij uitdroging sterk van kleur veranderend (lichter wordend). I.h.b. van de hoedhuid. Deze vertoont tijdens het opdrogen vaak verschillend gekleurde zônes of een radiale streping. Hygrophoraceae zie zwammenrijk (orde Agaricales). hygroscopisch aan de lucht vocht opnemend. hymeniaal tot het hymenium behorend of daar ontstaand. hymeniderm hoedhuid, die een structuur heeft die op een hymenium lijkt. De elementen, waaruit deze structuur bestaat, ontspringen op hetzelfde niveau. Zie ook hoedhuid. hymeniform van een weefsel met dezelfde structuur als het hymenium, maar zonder functionele basidia of asci. Meestal bestaand uit knotsvormige of ronde cellen. I.h.b. van de hoedhuid. hymenium de cellaag van een vruchtlichaam, waarin de sporenvormende organen (asci, basidia), maar ook dikwijls steriele cellen (zoals basidiolen, cystiden, hyfidia, setae en parafysen), liggen. = kiemvlies. hymeniumdrager zie hymenofoor. Hymenochaetaceae zie zwammenrijk (orde Aphyllophorales). hymenofoor die onderdelen van de zwam, die het hymenium dragen, zoals lamellen, gaatjes, stekels. = hymeniumdrager. Hymenogastraceae zie zwammenrijk (orde Hymenogastrales). Hymenogastrales klasse: Basidiomycetes, groep: Gasteromyceten; orde van zwammen met hypogeïsche vruchtlichamen. Het gleba ontwikkelt zich rondom talrijke holle kanalen die van een centrale holte naar boven lopen. De vruchtlichamen hebben een diameter van 1‑4 cm. en zijn onregelmatig knolvormig. Het peridium heeft 1‑2 onduidelijke lagen. Gleba met één labyrintachtige holte. Zie ook zwammenrijk. klasse: Basidiomycetes; kunstmatige groep van zwammen waarvan het hymenium bij rijpheid vrij ligt en waarvan de sporen aktief worden afgeschoten. De groep omvat de Heterobasidiomyceten en de orden Agaricales, Aphyllophorales, Boletales en Russulales. Zie ook zwammenrijk. = Vlieszwammen. hypertroof van een overmatige, woekerende groei. Hyphomyceten zie Moniliales. hypobasidium basale, meestal kogelvormig tot peervormig deel van de basidiën, waarop zich de epibasidiën vormen (bij de familie Tremellaceae). hypochnoïd van het hymenium, dat los vlokkig‑fluwelig, niet samenhangend is. Hypocreaceae zie zwammenrijk (orde Sphaeriales). in ruime zin de laag tussen epicutis en hoedvlees en in deze zin ook subcutis genoemd. Hypodermium wordt echter meest betrokken op celluleuse structuren, subcutis op hyfeuse structuren. Hypogaea klasse: Ascomycetes en Basidiomycetes; kunstmatige groep van macrofungi, die in hun gehele ontwikkelingscyclus zijn aangepast aan een ondergronds bestaan. Deze aanpassing komt o.a. tot uiting in de meestal knolachtige vruchtlichamen, die aan de buitenkant in het algemeen door een stevige, beschermende schorslaag zijn omgeven. = Truffels. hypogeïsch van vruchtlichamen, die ondergronds groeien. Hypomycetaceae zie zwammenrijk (orde Sphaeriales). hypothecium cellaag direct onder het hymenium, b.v. bij de orde Pezizales. = subhymenium. Hysterangiaceae zie zwammenrijk (orde Hysterangiales). Hysterangiales klasse: Basidiomycetes, groep: Gasteromyceten; orde van zwammen met hypogeïsche, bolronde tot ellipsoïdische of knolvormige vruchtlichamen. Het peridium is vaak met viltig myceliumweefsel bedekt. Het gleba is gelatineus tot kraakbeenachtig of slijmig, met of zonder columella. Sporen hyalien tot licht bruin, cilindrisch tot ellipsoïdisch, meestal glad. Zie ook zwammenrijk. Hysteriaceae zie zwammenrijk (orde Dothideales). hysteriform langgerekt schijfvormig. hysterothecium langwerpig vruchtlichaam van de Hysteriaceae, dat aanvankelijk gesloten is en zich bij rijpheid d.m.v. een in lengterichting lopende spleet opent.
|
![]() ![]() Naar begin |
| © MYCOFUN, 2007 | ||