|
paddestoelen zie fungi. palissadeweefsel weefsel met min of meer evenwijdig lopende, knotsvormige, cilindrische hyfen, meestal in het hoedoppervlak. papil een klein, vaak puntig uitsteeksel in het centrum van de hoed. papillaat met papil. paracapillitium hyaliene, dun‑ tot iets dikwandige, regelmatig gesepteerde hyfen in het gleba, enigszins gelijkend op een capillitium (bij de Gasteromyceten). paraderm hoedhuid bestaande uit min of meer ronde cellen. Zie ook hoedhuid. parafysen steriele, knots‑ tot draadvormige cellen tussen de asci (basidiën) in het hymenium van Ascomycetes (Basidiomycetes), soms kleurstoffen bevattend. zwammen, die leven op levende organismen en zich voeden met stoffen hieruit, waardoor deze organismen min of meer beschadigd worden. parasitisch van de levenswijze van parasieten; zie daar. Parasolzwammen zie zwammenrijk (orde Agaricales). Parodiellinaceae zie zwammenrijk (orde Dothideales). het sporendragende deel. pathogeen ziekte veroorzakend. pathologie leer der ziekten. Paxillaceae zie zwammenrijk (orde Boletales). pectine zie celwand. pedicel sterigmarest, die aan de sporen van enkele Gasteromyceten blijft hangen. Pekzwammen zie zwammenrijk (orde Agaricales). penwortel het verlengde van de steel, dat uitloopt in dunne wortelachtige punt, die diep in de bodem steekt, b.v. bij de Beukwortelzwam (Oudemansiella radicata). periderm dekweefsel, bovenste deklaag. peridiolen kleine schijfvormige of bolronde afscheidingen van het gleba met een eigen, gewoonlijk gesloten dikke wand, waarbinnen zich het sporogene weefsel bevindt (bij de orde Nidulariales). bij de Gasteromyceten de wand, die het gleba en subgleba omgeeft en wordt onderverdeeld in een exoperidium en een endoperidium. perisporium zie exosporium. peristoom cirkelvormige tot conische zône rondom de mondopening van het endoperidium bij het geslacht Geastrum. perithecium meestal langwerpige tot bolvormige vruchtlichamen van de Pyrenomyceten met aan de top een mondopening (ostiolum). In deze vruchtlichamen zijn de asci min of meer regelmatig in een hymenium gerangschikt. (mv. peritheciën). persistent weerstand biedend. Peyritschiellaceae zie zwammenrijk (orde Laboulbeniales). Pezizaceae zie zwammenrijk (orde Pezizales). klasse: Ascomycetes, groep Discomyceten; orde van zwammen met operculate asci, waarvan de vruchtlichamen apotheciën zijn, waarin de asci in een meestal vrijliggend palissade‑ achtig hymenium gerangschikt zijn met daartussen parafysen en daaronder een hypothecium (subhymenium) en een min of meer dik excipulum. Het apothecium is meestal bekervormig, maar kan sterk variëren. Het kan zittend of gesteeld zijn, de zittende soms ook bolrond en zich vanuit het midden openend, de gesteelde soms met een hoedvormig fertiel deel of onregelmatig geplooid (helvelloïd, morchelloïd). Zie figuren.Zie ook zwammenrijk. = Bekerzwammen s.l.. maat voor het zuur of basisch karakter van een oplossing. Een oplossing in water (25 graden C.) heet neutraal bij pH = 7, zuur bij pH < 7 en basisch bij pH > 7. = zuurgraad. Phacidiaceae zie zwammenrijk (orde Phacidiales). Phacidiales klasse: Ascomycetes, groep: Discomyceten; orde van zwammen, waarvan het vruchtlichaam begint als een meestal zwart stroma, rond of langgerekt schijfvormig, min of meer ingezonken in het waardweefsel, waarin zich één tot meerdere hymenia met asci en parafysen differentiëren. Na de rijping van de ascosporen barst de deklaag met één of meer spleten open. Asci inoperculaat. Zie ook zwammenrijk. phaeocystide cystide met een bruinachtige, zwak dextrinoïde inhoud. Zie ook cystide. phaseoliformis boonvormig. Zie ook sporevormen. Phallaceae zie zwammenrijk (orde Phallales). Phallales klasse: Basidiomycetes, groep: Gasteromyceten; orde van zwammen, waarvan de vruchtlichamen beginnen als een gesloten heksenei, waarin, omgeven door een gelei‑achtige massa, het receptaculum met de gleba verborgen is. Vruchtlichamen met hoed en een broze steel, die zich na het barsten van het peridium strekt, daarbij een volva achterlatend. Gleba bij rijpheid vlezig of slijmig. Sporen hyalien of bleek bruin. Zie ook zwammenrijk. phlebioïd van een rimpelig, geplooid hymenofoor, waarvan de plooien onregelmatig tot min of meer parallel verlopen zonder een netwerk te vormen (niet anastomoserend). phragmobasidiën zie heterobasidiën. Phragmobasidiomyceten zie Phragmobasidiomycetidae. Phragmobasidiomycetidae klasse: Basidiomycetes; onderklasse van zwammen, waarvan de basidiën gesepteerd zijn (hetero- of phragmobasidiën). = Phragmobasidiomyceten. phragmospoor zie sporevormen. Picea zie bomen en struiken. pigment kleurstof. pileaat van vruchtlichamen, die hoed‑ of consolevormig zijn. pileocarp van de ontwikkeling van vruchtlichamen, waarbij de hoed het eerst wordt aangelegd (bij de orde Agaricales). pileocystide cystide op de hoedhuid. Zie ook cystide. = dermatocystide. pileostipiticarp van de ontwikkeling van vruchtlichamen, waarbij hoed en steel gelijktijdig worden aangelegd (bij de orde Agaricales). Pinus zie bomen en struiken. piriformis peervormig. Zie ook sporevormen. Pisolithaceae zie zwammenrijk (orde Sclerodermatales). plaatjes zie lamellen. Plaatjeszwammen zie Agaricales. Zie ook zwammenrijk. Plaatjesloze vlieszwammen zie Aphyllophorales. Zie ook zwammenrijk. plage zo goed als glad gedeelte boven de apiculus bij een overigens ruwe spore. Bij enkele soorten is alleen dit deel amyloïd. Zie ook spore. = navelvlek. plasma celsap of celvloeistof. Zie ook cel. plasmagroei zie celgroei. plasmogamie geslachtelijke vereniging, waarbij van de beide geslachtelijke cellen (gameten) wel versmelting plaats vindt van het protoplasma maar (nog) niet van de kernen. Zie ook voortplanting. Platanus zie bomen en struiken. een weefsel opgebouwd uit dicht tegen elkaar aanliggende hyfen. klasse: Ascomycetes; kunstmatige groep van zwammen, waarbij de min of meer bolronde asci niet in een hymenium zijn gerangschikt, maar onregelmatig verspreid voorkomen in een gesloten vruchtlichaam (cleistothecium); de asci zijn unitunicaat en inoperculaat. De groep omvat de orden Eurotiales, Erysiphales (Echte meeldauwschimmels) en Meliolales (Zwarte meeldauwschimmels). Zie ook zwammenrijk. Pleurotaceae zie zwammenrijk (orde Agaricales). Pleosporaceae zie zwammenrijk (orde Dothideales). pleurobasidiën basidiën, die direkt zijdelings ontspringen uit kruipende hyfen (bij Korstzwammen). pleurocystide cystide op het zijvlak van de lamel of op de gaatjeswand. Zie ook cystide. = faciale cystide. pleurotoïd van vruchtlichamen met een zijdelingse steel (bij de orde Agaricales). Pluteaceae zie zwammenrijk (orde Agaricales). Podaxaceae zie zwammenrijk (orde Podaxales). Podaxales klasse: Basidiomycetes, groep: Gasteromyceten; orde van zwammen met gesteelde vruchtlichamen, die zich na het barsten van het peridium strekken, daarbij een volva achterlatend; lijkend op Coprinus. Gleba bij rijpheid stoffig. Sporen donker. Saprofyten, vaak in termietenheuvels; tropisch. Zie ook zwammenrijk. podobasidia duidelijk gesteelde basidia. polychotoom zie vertakking. polygonaal meerhoekig. polygonus meerhoekig. Zie ook sporevormen. polymorf veelvormig. Polyporaceae s.l. zie zwammenrijk (orde Aphyllophorales). Polyporen zie Gaatjeszwammen. Zie ook zwammenrijk. Polystigmataceae zie zwammenrijk (orde Sphaeriales). pool zie kerndeling. Populus zie bomen en struiken. porie zie porus. poroconidiën zie conidiën. poroïd met duidelijke poriën, waarvan de rand steriel blijft. porrecta zie textura. porus de opening van de buisjes of gaatjes. (mv. poriën). preparaat het met een microscoop te onderzoeken, al of niet met chemicaliën bewerkte, voorwerp. primaire septen zie septen. primaire sporen zie sporen. primair mycelium het mycelium dat na ontkieming van een spore ontstaat en dat bestaat uit éénkernige cellen. Zie ook voortplanting. primordium de jonge knop van een paddestoel, b.v. de champignon. prioriteitsprincipe zie nomenclatuur. prismatica zie textura. proascus uit een ascogene cel ontstane ascus waarin de reductiedeling plaatsvindt. het eerste ontwikkelingsstadium van een basidium, in enkele gevallen (vooral bij de Heterobasidiomyceten en dan ook hypobasidium genoemd) duidelijk van het latere metabasidium afgescheiden; vaak rond en min of meer dikwandig. Zie ook Ustilaginales. profase zie kerndeling. proliferatie vorming van secundaire vruchtlichamen op een bestaand vruchtlichaam. Pronkridders zie zwammenrijk (orde Agaricales). pro parte ten dele. prosenchym zie plectenchym. protoloog alles wat te maken heeft met de naam van een zwam bij zijn publikatie, d.w.z. de beschrijving, illustraties, citaten van andere auteurs inclusief de synoniemen, aanduidingen over ecologie en verspreiding en de in de protoloog in enig verband genoemde species. protoplasma zie cel. protoplast zie cel. pruïneus zeer fijn korrelig, bepoederd. Prunus zie bomen en struiken. p. sp. afkorting van pars sporifera, zie daar. pseudo voorvoegsel in wetenschappelijke termen met de betekenis van vals, onecht, in schijn, erop lijkend. Pseudeurotiaceae zie zwammenrijk (orde Eurotiales). pseudoamyloïd zie dextrinoïd. pseudocolumella het centrale, min of meer conische gedeelte van het gleba bij het geslacht Lycoperdon. pseudocystide cystide, die in het trama ontstaat. Zie ook cystide. pseudodiafragma evenals het diafragma, is dit een laag, die subgleba van gleba scheidt. In tegenstelling tot het diafragma echter, bestaat het pseudodiafragma niet uit geheel afwijkend gevormde cellen zoals het geval is bij de subgleba, maar uit dichter opeen gepakte en daardoor kleinere en plattere cellen. pseudoparenchym een weefsel opgebouwd uit los of vast aaneengesloten cellen met ongeveer dezelfde diameter. pseudoperidium een onduidelijk peridium. Pseudosphaeriaceae zie zwammenrijk (orde Dothideales). pseudostroma zie clypeus. pseudothecium het vruchtlichaam van de Loculoascomyceten, bestaande uit een stroma, waarin één of meer holten (loculi), die de asci bevatten. Pseudotsuga zie bomen en struiken. psilocybine giftige stof, die o.a. voorkomt in het Mexicaans kaalkopje (Psilocybe mexicana). Deze stof heeft hallucinogene eigenschappen. Pterulaceae zie zwammenrijk (orde Aphyllophorales). Pucciniaceae zie zwammenrijk (orde Uredinales). pustulatus fijnwrattig; dicht bezet met kleine puistjes of wratjes. Zie ook ornamentatie. pycnidiën vruchtlichamen van de Sphaeropsidales; zie daar. pycnidiosporen zie Uredinales. klasse: Ascomycetes; kunstmatige groep van zwammen, waarbij de asci min of meer regelmatig in een hymenium zijn gerangschikt en die worden gevormd in een gesloten vruchtlichaam (perithecium), dat alleen aan de top een opening (ostiolum) heeft. Soms zijn vele peritheciën ingebed in een stroma. De asci zijn unitunicaat en inoperculaat. De groep omvat de orden Coronophorales en Sphaeriales. De zwammen zijn vaak van een kolenachtige substantie en zien er zwart uit. Zie ook zwammenrijk. = Kernzwammen s.l.. pyrofiel van zwammen, die zich ontwikkelen op houtskool en brandplekken. = antracofiel. Pyronemataceae zie zwammenrijk (orde Pezizales). Pyrus zie bomen en struiken.
Quercus zie bomen en struiken. |
![]() ![]() Naar begin |
| © MYCOFUN, 2007 | ||